Op allerlei plekken in de wereld worden eindige grondstoffen gebruikt. Dat zorgt niet alleen voor een drastische aantasting van onze directe leefomgeving, maar ook van het verdwijnen van unieke ecosystemen en zelfs hele culturen. Desondanks blijft de verwondering over het oneindige potentieel van materialen, zoals de mogelijkheid deze op steeds kleinere schaal toe te passen. Het menselijk vernuft genereert telkens nieuwe betekenissen, waarbij tevens de esthetische context blijft veranderen.

Wanneer deze materialen een vorm krijgen en tot min of meer functionele objecten transformeren, spreken wij van dingen. Design biedt het raamwerk om deze objecten als dingen te kunnen begrijpen; van het meubilair in de woning en machines in een fabriek tot de infrastructuur waarmee licht, stroom en elektromagnetische frequenties door de bodem of door de lucht worden verzonden. Maar alleen een ontwerpperspectief volstaat niet in confrontatie met de enorme hoeveelheid goederen, technologieën en infrastructuren die ons dagelijks leven bepalen. Design beschouwt het ding allereerst als een geïsoleerd object van begeerte, maar er zijn andere benaderingen en analyses nodig om recht te doen aan de fundamentele afhankelijkheid die onze relatie tot de dingen kenmerkt: op het niveau van het microscopisch kleine tot het allergrootste, zowel intiem nabij als in verhouding tot veelal onzichtbare megastructuren, als persoonlijk eigendom en als collectieve voorziening, en van verleidelijk tastbaar tot verwarrend immaterieel.

Dit spectrum aan benaderingswijzen zal zich moeten verhouden tot de kaders-  zowel institutionele, en wetenschappelijke als logistieke - die gedurende de 20ste eeuw zijn ontwikkeld om materialen en objecten te zien als vormen, symbolen, concepten, goederen, gereedschappen, artefacten en eigendommen. Het is essentieel dat er aandacht gaat naar de manier waarop de esthetische zeggingskracht van dingen en materialen verweven is met hun politieke en economische rol. En nu het immateriële van steeds groter belang wordt voor de wijze waarop de samenleving is georganiseerd, wordt het vraagstuk van de dingen nog kritischer. Terwijl design nog steeds de archetypen van creatieve productie ondervraagt, zorgen de snel opeenvolgende technologische ontwikkelingen ervoor dat ons begrip van de dingen als op zichzelf staande objecten steeds verder wordt opgerekt.

Vanuit het bovengeschetst belang en in het kader van De Dingen en de Materialen zijn onder meer de volgende projecten ontwikkeld:

Series on Materials, een tentoonstellingsprogramma waarbinnen per keer een materiaal centraal wordt gesteld en vanuit historische, speculatieve en zintuiglijke invalshoeken benaderd. Op basis van fellowships worden de verschillende materialen onderzocht, en vervolgens wordt er een format bepaald om het onderzoek publiek te maken. Dat kan bijvoorbeeld een tentoonstelling, publicatie of film zijn. Eerdere projecten waren onder meer HOUT: De cyclische natuur van materialen, plekken en ideeën (fellow Dan Handel); PLASTIC: Promises of a Home-made Future (fellow Tal Erez) en GLAS: Voertuig van Vooruitgang (curatoren Koehorst in 't Veld). Op dit moment doen Christien Meindertsma en Chris Kabel als fellows onderzoek naar respectievelijk beton en afwerkingstechnieken als lakken, lamineren en coaten.

Het Tijdelijk Modemuseum was een experiment dat het hele gebouw van Het Nieuwe Instituut veranderde in het eerste nationale modemuseum van Nederland. De expositie ondervroeg de mythen van vernieuwing en tijdloosheid die het modesysteem onderbouwen, en benaderde tijd zoals mode dat doet: als een veranderlijk fenomeen en een kader voor bespiegeling. Het Tijdelijk Modemuseum ging bovendien over het museum als institutioneel model, het speelde met mogelijke publieksbenaderingen en introduceerde activiteiten zoals winkelen, verkleden en maken in de expositieruimte.

Biodesign, een tentoonstelling op basis van een breed scala aan projecten die levende systemen aanwenden voor vormen van creatieve productie binnen de kunst en het ontwerp, samengesteld door curator William Myers. Biodesign verbindt ontdekkingen op terreinen als geneeskunde en architectuur met de uitdagingen op het gebied van klimaatverandering, bevolkingsgroei en de uitputting van grondstoffen. Het heeft daarbij een systeem voor ogen waarin het ontwerp, de productie en het gebruik rekening houdt met de gevolgen die het voor diverse omgevingen en levensvormen heeft. De tentoonstelling stimuleerde actief onderzoek door middel van workshops, waaronder een presentatie door de bekende performance kunstenaar Stelarc.

De New Material Award is een tweejaarlijkse prijs voor innovatie op het gebied van materiaal door kunstenaars, ontwerpers en architecten en is in het leven geroepen door de Stichting Doen, Fonds Kwadraat en Het Nieuwe Instituut. De prijs functioneert op twee manieren: een jury selecteert elke twee jaar twee winnaars uit een aantal inzendingen, terwijl de website met behulp van diverse categorieën fungeert als archief en onderzoeksbron. Een selectie van de inzendingen wordt tentoongesteld tijdens de Dutch Design Week in Eindhoven en de Salone del Mobile in Milaan.

Marina Otero
Tamar Shafrir, Klaas Kuitenbrouwer, Katia Truijen, Marten Kuijpers, Víctor Muñoz Sanz
k.truijen@hetnieuweinstituut.nl